450. Afscheid en Afschijt

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: maandag 13 november 2017

450. Afscheid en Afschijt

 

In de keuken sta ik bij het aanrecht.

Het bruine bolletje ligt op de plank.

Ik snijd het met een scherp mes in tweeën.

Het doet geen pijn, ik hoor geen enkele klank.

Op beide delen smeer ik nu wat boter.

Daarover lekkere rode aardbeienjam.

Dan ga ik met de plank aan tafel zitten.

Schuif het naar binnen onder zacht gehemmm.

‘O broodje, wat heerlijk!’ zing ik met zachte stem.

-----

Ik voel het eten door mijn slokdarm zakken.

Giet nog wat lekker sap erachter aan.

En na de maaltijd ga ik lekker zitten kakken.

Laat vorig eten met een luid luchtje gaan.

Zo neem ik afscheid van de lekkere maaltijd

die ik al eerder op mijn bordje had:

zuurkool met spek; dat kan zo lekker stinken,

en het glijdt zo zacht en smeuig uit je gat.

‘O zuurkool, wat heerlijk!’ Zo’n luchtje doet je wat.

-----

Dan sta ik op voor ik mijn kontje reinig.

Boven is het nieuwe vers al opgesteld.

Ik noem het ‘Afscheid’, want dat klinkt wel geinig,

want je hoort niet hoe of het wordt gespeld.

Afscheid en Afschijt, het zijn homoniemen:

gelijke klank, betekenis ongelijk.

Als ik van me af schijt, neem ik afscheid!

O mensen, wat is Nederlands toch rijk!

‘O Nederlands! Wat ben je ontzettend rijk’.

-----

Crödde